Artikel - J. Tavenraat over B.C. Koekkoeks schilderprocedure, een artikel van R.L. Falkenburg
J. Tavenraat over B.C. Koekkoeks schilderprocedure.
Een artikel van R.L. Falkenburg.

    Johannes Tavenraat heeft een cahier nagelaten, dat zich nu nog in familiebezit bevindt, met recepten en aanwijzingen omtrent verschillende schildertechnieken en -procedures. Deze notities bestrijken tenminste de periode van 1840 tot 1871, zodat het waarschijnlijk is dat dit schrift Tavenraat gedurende een groot gedeelte van zijn schildersloopbaan heeft begeleid. In hoeverre echter dit schrift daadwerkelijk een leidraad voor zijn werkwijze is geweest moet hier in het midden gelaten worden (1).

    Tavenraat heeft de bladzijden van het cahier niet genummerd (2). Zowel van de voorkant als van de achter- kant uit heeft hij het beschreven. Bij de hier volgende beknopte opsomming van de inhoud van deze notities wordt daarom de volgende nummering gehanteerd: de nummering 1 tot en met 42 betreft de bladzijden gerekend van de voorzijde (- de eerste bladzijde is die welke begint met de notities over B.C. Koekkoek: 'Copie de quelques remarques...' ); de nummering 1 tot en met XXII is gerekend vanaf de achterzijde (3).
Op een enkel bijschrift na zijn alle gegevens die Tavenraat noteerde afkomstig uit andere schriftelijke bronnen (die hij overschreef in de oorspronkelijke taal) en niet direct uit zijn eigen observatie. De eerste pagina's - 1 tot en met 23 - bevatten de hieronder gepubliceerde kopie van Tavenraat naar de notities die Felix Bovie (1812-1880) maakte over de schildertechniek en -procedures van B.C. Koekkoek, bij wie Bovie, evenals Tavenraat zelf, omstreeks 1840 in Kleef in de leer was (4).

    Op de pagina's 23 en 24 staan enkele notities in het Nederlands over een procedure om goudverf aan te maken, alsmede 'papier-', 'water-' en 'eiwitvernis'. Gezien de verkorte, 'stenografische' formulering der zinnen, is dit een van de weinige passages die van Tavenraat zelf kan stammen.
De pagina's 25 en 26 bevatten een kort afschrift getiteld: 'Over het rangschikken der kleuren' , een passage die Tavenraat citeert naar een zekere 'Mr. Crase'. Het was niet mogelijk deze bron terug te vinden. Het feit dat het hier om een technische opsomming van verschillende kleur- contrasten gaat, die Tavenraat aanhaalt maar schijnbaar zonder inhoudelijke reden plotseling afbreekt met het woordje 'enz.' (: '(...) donker blaauw en rozé; chocolaad en groen; kastanje-bruin en donker blaauw, enz.') bevreemdt enigszins. Een dergelijk verschijnsel doet zich echter ook voor in de kopie van Bovies notities over Koekkoek en in een uitgebreid citaat naar John Burnets ' Practical hints on light and shade (...)' - zie hieronder.
Op de pagina's 27 tot en met 39 Staat een technische verhandeling getiteld: 'Over het etsen' , met uitvoerige aanwijzingen over procedures, die Tavenraat blijkens een notitie overnam uit het werk, 'de Graveur' ; - ook hier was het niet mogelijk deze bron op te sporen.

    Op de bladzijden 1 tot en met X schreef Tavenraat een gedeelte neer uit de verhandeling van John Burnet, 'Practical hints on light and shade in painting , illustrated by examples from the Italian Flemish, and Dutch Schools London 1826.' Ook hier valt op dat Tavenraat in het begin van zijn afschrift de moeite heeft genomen om precies de gehele titel over te nemen en ook de plaats en het jaar van uitgave, de naam van de uitgever, diens adres, een begeleidend motto van Reynolds, alsook een citaat uit Burnets inleiding te noteren. In eerste instantie - op p I tot VI (eerste alinea bovenaan) - heeft Tavenraat zich ook zeer nauwgezet aan Burnets tekst gehouden. Op de pagina's VI - X echter heeft hij - zonder dat Burnets betoog zich inhoudelijk wijzigt of andere thema's aansnijdt - de pagina's 5 tot en met 18 uit Burnets werk samengevat in zijn eigen Engels. Van het grootste deel van Burnets tekst (p 19-45) ontbreekt in Tavenraats transcript elk spoor. Deze wijze van noteren roept enige vragen op omtrent de motieven waarom Tavenraat deze passages opnam in zijn cahier ('op Koekkoeks advies misschien') en de mate waarin hij deze observaties, raadgevingen, recepten e.d. ook werkelijk relevant vond en ze in zijn schilderijen verwerkte.

    De bladzijden XI - XX heeft Tavenraat gevuld met een resume van de 'Cours d'experiences chimiques sur la fixite des couleurs de la peinture a l'huile donne au Palais du Louvre, novembre et decembre 1853, janvier et fevrier 1855 par J.D. Regnier ( ), Paris ( ) 1855' aldus Tavenraats eigen opschrift (p XI). Volgens eigen zeggen (p XX) heeft hij dit op 14 en 15 december 1871 uitgeschreven en heeft hij zich inderdaad in enkele schilderijen bediend van een van Regniers recepten.
De bladzijden XXXI en XXXII tenslotte bevatten nog drie recepten 'Om Decalqueerpapier te vervaardigen (zonder bronaanduiding), een recept ter bestrijding van de 'Verzwakking der Ogen' (!) afkomstig van zijn kunstbroeder G van der Ven, en een recept 'om panelen te plamuren' (Zonder bronaanduiding).

    Alvorens kort de inhoud van de notities over Koekkoeks aanwijzingen weer te geven, enkele algemene opmerkingen vooraf. Voor zover ik heb kunnen nagaan heeft Bovie deze notities zelf nooit gepubliceerd, diens enige publicatie is een bundel met verzen die hij in 1864 in Brussel uitgaf, toen hij het schilderen reeds opgegeven had (5). Het is waarschijnlijk, dat het op vele plaatsen niet zeer elegante Frans met nogal wat uitdrukkingen die direct uit het Nederlands lijken te zijn vertaald, op rekening komt van Tavenraat en niet van Bovie. Hiervoor pleit ook het feit dat deze uitdrukkingen juist daar voorkomen waar Tavenraat zich ook niet naar de letter aan zijn voorbeeld lijkt te hebben gehouden, maar waar slechts de kern van de inhoud lijkt te zijn opgeschreven zoals ook in zijn afschrift van John Burnet, is dit vooral in het laatste gedeelte van de tekst het geval - bijvoorbeeld op p 20 en 21. Dit taalgebruik alsook het feit dat aan deze notities over de techniek e.d. blijkbaar in Bovies origineel nog een gedeelte met bespiegelingen over 'de grote meesters' (p I) voorafging wijzen erop dat wij in Tavenraats afschrift alleen een gedeelte van dit origineel over hebben.

    Het is hier niet de eerste keer dat Tavenraats cahier en daarmee Bovies notities over Koekkoek aan de vergetelheid worden ontrukt. J Knoef heeft er in twee publicaties blijk van gegeven dat hij dit cahier kende, in beide gevallen citeerde hij de zin 'La nature est st variee pourquoi vouloir la rendre plus belle en voulant fan o du romantique!' (p 2) - zonder echter zijn bron te vermelden (6).
Het bijzondere van deze tekst ligt in de uitvoerigheid waarmee de door Koekkoek gevolgde en door hem aangeraden schilderprocedure, en de technische details aangaande pigmenten, bindmiddelen e.d. zijn beschreven. In de volgende samenvatting van de inhoud kan daarop echter niet worden ingegaan. Alleen enkele passages uit de inleiding over het begrip 'romantisch' zullen even worden belicht.

    De bladzijden 1 - 4 (eerste alinea) zijn gewijd aan enkele inleidende bespiegelingen van Koekkoek over de schilderkunst, zoals die door Bovie zijn opgetekend. Zij bevatten enkele fundamentele opvattingen die de kern van Koekkoeks 'onderwijsprogramma' vormen en die ook terug te vinden zijn in diens eigen 'Herinneringen en Mededeelingen van eenen Landschapschilder', een boek dat in 1841 in Amsterdam verscheen. In het cahier wordt allereerst de noodzaak benadrukt, niemand of niets anders dan de natuur als de enig ware leermeester van de schilder te beschouwen. Daarom dient de schilder, ook al is hij reeds ver gevorderd, bij voortduring studies direct naar de natuur te maken. In een meer anekdotische vorm gegoten benadrukt Koekkoek dit evenzeer in zijn eigen boek (7). Directer nog dan in zijn 'Herinneringen' is hier het verband tussen dit navolgen der natuur en de wijze waarop dit gedaan moet worden 'zo getrouw mogelijk' en niet 'romantisch'. Wat men hieronder nu precies moet verstaan, wordt duidelijker na vergelijking met wat Koekkoek hierover in zijn eigen geschrift zegt. De woorden 'waar' en 'eenvoudig' die hij daar menigmaal contrasteert met 'romantisch' bevatten zowel een, zoals men zou kunnen zeggen, inhoudelijk als een formeel aspect (8). Er zijn volgens hem 'prozaïsche of 'alledaagsche' onderwerpen, 'zoals een woedende storm, eene overstrooming, het doorbreken van dijken en dammen, het opkomen of wegdrijven van een vreesselijk onweder, een morgen- of avondstond, een schoone lente-, zomer-, herfst- of winterdag, enz'(9). Het verwarrende hierbij is dat wij er tegenwoordig toe geneigd zijn, schilderijen met deze onderwerpen juist 'romantisch' te noemen. Koekkoek rangschikt deze onderwerpen echter evenzeer onder het 'eenvoudig ware' als 'een eenvoudige waterkant met een paar knobbige wilgen' of 'eene schutting en beestenstal' (10).

    Daarentegen groepeert hij 'trotsche voorwerpen' (11) onder romantische onderwerpen, zoals men die aantreft in 'historische landschappen', werken met 'eenen zoogenoemden romantischen opschik,' produkten van 'Arme, beklagenswaardige poeten' met 'verhevene ideen', die de natuur 'gekluisterd (willen) hebben, ( ), aan het eene of andere gedeelte der gewijde geschiedenis, of aan iets uit het leven eens heiligen, aan eene volkslegende, een berucht, bloedig gevecht, eene theatrale voorstelling aan de schriften van dezen of genen schrijver ontleend, een wonder vreemd landschap en meer andere hoogdravende voorstellingen' (12).
Iets minder duidelijk is deze kwestie wat betreft het formeel eenvoudige en romantische. Hier is ook meer sprake van een tegenstelling tussen het 'getrouwe' en 'ware', en het zogenaamd 'poetische.' Koekkoek zegt in zijn 'Herinneringen', dat de schilder die de 'waarheid' voorstelt, 'de geheimen van de veelvuldige schakeringen der natuur' kent en zijn schilderij tot een 'getrouwe kopij' der natuur maakt (13).

    Elders spreekt Koekkoek over de 'schilderachtige onachtzaamheid' van een brug die bezaaid is met allerhande voorwerpen en die daarom de moeite waard is geschetst te worden (14). In dit verband kan men ook de kleine alinea op ? 16 van dit cahier zien, die daar wat geïsoleerd staat, maar verder de enige passage in het cahier is, die betrekking heeft op de kwestie van 'getrouw' of 'romantisch.' Daar staat dat Koekkoeks studies naar de natuur deze weergeven, 'zoals hij ze ziet', zonder te proberen haar te 'poetiseren' of haar 'elegant' te maken, als de natuur zich in deze gedaante niet aan de schilder voordoet. Hieruit kan men de gevolgtrekking maken, dat het getrouw kopiëren der natuur inhoudt, dat men haar zonder vooropgezette (b.?. door de 'poezie' gestuurde) opvattingen omtrent de bijzondere geschiktheid van bepaalde motieven - d.w.z. in haar, wat men zou kunnen noemen, toevallige gedaante - moet naschilderen, juist met een oog voor het eenvoudige detail. Iets dergelijks geldt voor de weergave der kleuren, de ware poëzie van het schilderij, ligt in de 'poezij der kleuren' (15), die alleen bereikt wordt door deze 'natuurlijk' weer te geven, zoals de schilder ze om zich heen in de natuur ziet. Romantiseren ('faire romantique') mag men volgens Koekkoek dan ook hoogstens in de onderwerpen die men uitkiest, maar niet in de weer- gave der kleuren (zie de laatste alinea van de inleiding in dit cahier.)

    We weten niet of Tavenraat het eens is geweest met Koekkoeks opvattingen in dezen. Op grond van diens inleiding in 'eenvoudige' en 'romantische' onderwerpen zouden we het merendeel van Tavenraats werken als bij uitstek niet-romantisch moeten classificeren, - dit in tegenstelling tot Tavenraats reputatie bij uitstek, een 'romantisch schilder' te zijn (16). Tegen deze achtergrond is het ook begrijpelijk dat Koekkoek er bij monde van Bovie voor pleit, de leerling niet tot een kopiist van zijn meester te maken, noch van 'oude, vergeelde schilderijen', maar alleen tot een navolger van de natuur zelf.
De rest van Bovies notities (de bladzijden 4 - 23) zijn gewijd aan meer praktische adviezen: de plaatsing der verschillende details in de compositie, de vraag hoe en waar bepaalde kleureffecten dienen te worden nagestreefd, technische aanwijzingen aangaande de te kiezen pigmenten, oliën, de behandeling van het doek en de verschillende verflagen, etc.
Op pagina 4 tot 9 wordt beschreven hoe men de eerste schetsen dient op te zetten (het z.g.n. 'aanleggen'), resp. van de hemelpartij en het geboomte (waarschijnlijk) in zomerlandschappen, (17) op ? 4-5, van de luchtpartijen, verten, sneeuw en ijs in winterlandschappen, op p 6 - 8, en op p 8 en 9 nog enkele opmerkingen over het schetsen van grote bomen en de stoffage (met enige uitweidingen over hoe vaak men lucht- en boompartijen (resp. al dan niet) opnieuw kan behandelen).
Vervolgens (vanaf p 9 onderaan 'Ebauche' tot ? 12 'Pour dessiner ') wordt vooral uitvoerig ingegaan op het verdere uitwerken in verschillende stadia (het z.g.n. 'opschilderen') van het geboomte en vanaf ? 11 onderaan ook van de voorgrond, die Koekkoek 'in tegenstelling tot wat de Belgen doen', zeer helder maakt. Tevens nog enkele losse opmerkingen over het schilderen van gebladerte, water en struikgewas in een landschap met ondergaande zon.

    Op de pagina's 12 (v a 'Pour dessiner ') en 13 (tot en met de eerste alinea) staat een klein stukje over het 'tekenen naar de natuur', dat echter slechts zeer globale aanwijzingen en enkele gemeenplaatsen bevat.
De pagina's 13 (v.a. 'Mëlange de Couleurs') tot en met 15 (' souffre moins ') bevatten verschillende aanwijzingen over het gebruik van sommige pigmenten (en het vermijden van enkele andere) en oliën, het mengen der kleuren en het prepareren van het doek.
De pagina's 15 (v.a. 'La maniére ') tot en met 16 behelzen wat los gegroepeerde opmerkingen over de behandeling van resp. eiken, sparren, de vermelde alinea over het zich houden aan de zichtbare natuur zonder te 'poetiseren' en enkele herhalingen over het opbrengen van verschillende glacislagen.
Op de bladzijden 17 - 23 wordt tenslotte gedetailleerd verteld in welke partijen welke kleuren moeten worden gebruikt en hoe ze moeten worden opgebracht achtereenvolgens over planten en loof (p 17) - een wat algemener stukje over het maken van een landschap met zonsondergang (p 17 - 19) -, stoffage (p 19), ijs (p 19 - 20), nogmaals loof (p 20), hemelpartijen (p 20 - 21), speciaal een hemel bij ondergaande zon (p 21) en tenslotte over 'zanderig terrein' (p 22) en over het schilderen van water. (p 22 - 23). Terzijde kan hier nog vermeld worden, dat de door Koekkoek gevolgde schilderprocedures zoals die hier gedetailleerd zijn opgetekend, overeenkomen met de adviezen die Koekkoek (in een veel algemenere vorm) in zijn eigen boek heeft gegeven (18).


NOTEN:
  • 1. Uit een opmerking op p XX van het manuscript blijkt wel, dat Tavenraat tenminste in een aantal schilderijen zich heeft laten leiden door de adviezen van J D Regnïer - zie de inhoudsopgave hieronder.
  • 2. De afmetingen van het cahier zijn 21 x 17,5 cm, het heeft een groene kaft, aan de voorzijde voorzien van een onbeschreven etiquet, en heeft gelinieerd papier.
  • 3. Van de in totaal 64 bladzijden zijn alleen de pagina's 4, 5 en 42 onbeschreven.
  • 4. Zie J. Hymans, Près de 700 Biographies d'Artistcs Beiges, Brussel 1920, p 89.
  • 5. Zie J. Hymans, op cit., p 89.
  • 6. Zie J. Knoef, De Schilderkunst voor 1860, in Kunstgeschiedenis der Nederlanden, Utrecht 1955, Bd II, p 385, en J. Knoef, Van Romantiek tot Realisme, Den Haag 1947, p 44.
  • 7. Op cit., met name p 14 - 16 en verder passim.
  • 8. Zie vooral Koekkoek, op cit., p 2 - 3 en 26 - 30.
  • 9. Koekkoek, op cit., p 29.
  • 10. Koekkoek,op cit., p 30.
  • 11. Koekkoek,op cit., p 2.
  • 12. Koekkoek, op cit., p 28 en 29.
  • 13. Koekkoek, op cit., p 27 en 28.
  • 14. Koekkoek,op cit., p 4.
  • 15. Koekkoek,op cit., p 30.
  • 16. Zie literatuuropgave artikelen, p 140.
  • 17. Dit is indirect op te maken uit de eerste zin van het volgende hoofdstukje 'Hiver', waar Bovie met 'ses etes' waarschijnlijk verwijst naar het voorafgaande.
  • 18. Zie Koekkoek, op u cit., vooral p 98 - 103.

  • In dit transcript heb ik ten behoeve van de leesbaarheid de Vrijheid genomen ?avenraats tekst te voorzien van hoofdletters en leestekens, aangezien deze in het manuscript slechts zeer ten dele zijn aangebracht. Verder heb ik getracht mij zo nauwkeurig mogelijk aan de schrijfwijze van het handschrift te houden, met dien verstande, dat daar waar Tavenraat duidelijk leesbaar fouten in de schrijfwijze heeft gemaakt achter het desbetreffende woord (sic) toegevoegd is, achter een woord dat slecht of in het geheel niet leesbaar was is een (?) toegevoegd. Woorden die van een * zijn voorzien, waren (duidelijk leesbaar) afgekort in het manuscript en zijn hier voluit geschreven. Fouten in de grammatica zijn niet verbeterd. De paginanummering in de kanlijn links is aangebracht volgens de hierboven vermelde methode.

  • 20. Bedoeld is Eugene Verboeckhoven (1799-1881).
  • 21. Bedoeld is Ferdinand Marinus, die volgens Thieme-Becker leefde van 1808 tot 1890 en van 1835 tot 1883 directeur van genoemde academie was.

Bron: Universiteit Leiden - https://openaccess.leidenuniv.nl/